Fanfare- en harmonieorkesten

Fanfare- en harmonieorkesten

Geen dorpsfeest, processie of optocht gaat uit zonder dat een lokale fanfare of harmonie het feest met de nodige blaasmuziek opfleurt. Haast iedereen is dan ook vertrouwd met het traditionele beeld van muzikanten die strak in het uniform door de straten marcheren. Muziekverenigingen hebben altijd al een grote rol gespeeld in het sociaal-culturele leven en de feestcultuur van België, Nederland en Noord-Frankrijk en zijn ook nu nog sterk verankerd in de maatschappij.

Historiek

Fanfares of harmonieorkesten zijn vaak de oudste vereniging van een gemeente. Veel van deze verenigingen werden immers al opgericht in de 19de eeuw. De eerste fanfare- en harmonieorkesten dateren zelfs uit de late 18de eeuw: aan het einde van het Ancien Régime werden de oude gilden namelijk ontbonden en ontstond er een nieuw sociaal-cultureel klimaat dat het ontstaan van muziekverenigingen in de hand werkte. Wie in een fanfare of harmonie wilde spelen, moest over een eigen instrument beschikken en zo komt het dat het lidmaatschap aanvankelijk alleen weggelegd was voor het hoger opgeleide en rijkere deel van de bevolking. Voor de burgerij was het belangrijk dat zij op deze manier haar stempel op het maatschappelijke leven kon drukken. Opvallend is dat veel 19de-eeuwse blaasorkesten heel wat overeenkomsten vertoonden met de rederijkerskamers, die in de late middeleeuwen opgericht werden als broederschappen voor amateurs die zich bezig hielden met toneel, poëzie, maar ook met muziek. Net zoals de leden van muziekverenigingen dat later zouden doen, namen de rederijkers deel aan processies en optochten en stonden ze in dienst van de burgerlijke en de kerkelijke overheid. Verder is in de organisatie van beide types verenigingen een penningmeester, een knaap, een vaandeldrager en een voorzitter opgenomen. Zowel bij de rederijkerskamers als bij de eerste muziekverenigingen stonden er ten slotte ook boetes op het niet bijwonen van repetities en op dronkenschap.

In de loop van de 19de eeuw nam het aantal fanfare- en harmonieorkesten snel toe. De “Annuaire Musical de Belgique” telde in 1880 al 1203 blaasorkesten. Ook aan het begin van de 20ste eeuw bleef het aantal orkesten stijgen en tegen 1914 waren er in elk dorp wel een of meerdere blaasorkesten aan de slag. Muziekverenigingen waren toen niet langer uitsluitend weggelegd voor de welgestelde burgerij en kregen in deze periode een volkser karakter. Blaasorkesten werden zo bij allerhande sociale groepen populair: arbeiders, bedienden, landbouwers… Lid zijn van een muziekvereniging was in vroege 20ste eeuw vaak de enige manier om deel uit te maken van het verenigingsleven. Aan veel muziekverenigingen was toen ook een toneelvereniging en/of koor verbonden.

Tot op de dag van vandaag zijn in sommige dorpen meerdere blaasorkesten actief. Dat komt doordat het verenigingsleven, net zoals andere geledingen van de maatschappij, sterk verzuild was. Een potentiële muzikant moest dan ook kiezen tussen de socialistische, liberale of de (vooral op het platteland sterk aanwezige) katholieke zuil.

Door de Eerste Wereldoorlog werd de groei van blaasorkesten sterk geremd. Het Duitse leger eiste heel wat koperen instrumenten op en legde het openbare leven nagenoeg helemaal lam. Veel muziekverenigingen konden dan ook niet anders dan hun werking onderbreken. Tijdens het interbellum werd een aantal daarvan heropgestart en ontstonden ook veel nieuwe muziekverenigingen. Hun activiteiten bleven meestal beperkt tot de eigen dorpsgemeenschap en de jaarlijkse concerten bij zusterverenigingen uit de omgeving. Tijdens de tweede Wereldoorlog lag het muzikale verenigingsleven opnieuw stil. Na de oorlog ondervonden blaasorkesten een grote invloed van maatschappelijke veranderingen zoals de ontzuiling, een stijging van de levensstandaard, de enorme toename van de vrijetijdsmogelijkheden, de opkomst van commerciële muziek enz. Veel traditionele muziekverenigingen konden zich hier onvoldoende aan aanpassen en stierven een stille dood.

In de voorbije decennia zijn fanfare- en harmonieorkesten steeds meer uit de schaduw van de dorpstoren getreden. De orkesten nemen tegenwoordig veel vaker deel aan (inter)nationale wedstrijden, bieden beginnende muzikanten een betere begeleiding, kiezen voor een jonger muziekrepertoire om hun stoffige imago van zich af te werpen en hebben een concerttraditie ontwikkeld. Hun activiteiten zijn dus al lang niet meer beperkt tot deelnemen aan processies, optochten en stoeten.

Fanfare, harmonie of brassband

Blaasorkesten worden algemeen aangeduid met de term Ha.Fa.Bra., dat een afkorting van Harmonie, Fanfare en Brassband is. De gezelschappen die onder deze noemer vallen, maken - zoals hun naam al zegt - voornamelijk gebruik van blaasinstrumenten, die geluid voortbrengen door lucht te blazen in of over het instrument. Een harmonieorkest bestaat uit houtblazers, koperblazers en slagwerkers. De klarinet speelt in dit type orkest een grote rol. In een fanfare worden er vooral koperblazers, saxofoons en slagwerk bespeeld. Een belangrijke rol is hier weggelegd voor de zogenaamde saxhoornfamilie (o.a. bugels). In een brassband worden eveneens koperen blaas- en percussie-instrumenten bespeeld, maar de bezetting volgt een vast stramien, volgens het Engels model.

Sint-Cecilia of Eendracht

Heel wat blaasorkesten hebben nog steeds hun klinkende naam van weleer. Zo zijn er bijvoorbeeld veel fanfares van de katholieke zuil die “Sint-Cecilia” genoemd werden, naar de patroonheilige van de muziek. Verder kwam het vaak voor dat een katholiek blaasorkest de naam van de parochieheilige droeg. In de decennia na 1830 ontstonden er dan weer veel blaasorkesten met de patriottische naam “De Eendracht”, waarmee verwezen werd naar het ontstaan van België. Ook verwijzingen naar deugd komen frequent voor. Zo is er in Hoogstraten een blaasorkest dat “Voor Eer en Deugd” heet en zowel in Lichtaart en Kasterlee is er een fanfare met de naam “Vreugd in Deugd”. Daarnaast duiken ook vaak namen op die betrekking hebben op vriendschap, met “De Ware Vrienden” als meest populaire. Verder wordt ook de vooruitgang vaak genoemd; Voorbeelden daarvan zijn namen zoals “Hoop in de Toekomst” (Eppegem) of “Recht en Vooruit” (Wakkerzeel).

Ceciliafeest

Eén keer per jaar viert een muziekvereniging haar teerfeest. Meestal is dat in november, de maand waarin de naamdag van Sint-Cecilia (22 november) wordt gevierd. Het teerfeest wordt dan ook vaak het Ceciliafeest genoemd en is een jaarlijks hoogtepunt voor de leden. Tijdens het feest halen zij samen met vrienden, familie en sympathisanten de vriendschapsbanden aan en wordt er lekker gegeten en gedronken. Ook muziek ontbreekt dan natuurlijk niet. Verder worden tijdens het Ceciliafeest ook de jubilarissen van de vereniging in de bloemetjes gezet. Opvallend is dat niet enkel muziekverenigingen die vroeger tot de katholieke zuil behoorden, maar bijvoorbeeld ook socialistische muziekverenigingen een Ceciliaviering houden. Bij de van oorsprong katholieke muziekverenigingen gaat het teerfeest steevast van start met een eucharistieviering, die wordt opgeluisterd met - hoe kan het ook anders? - blaasmuziek. Heel wat muziekverenigingen richten ook een jaarlijks Ceciliaconcert in.

Uniformen

Wanneer een blaasorkest deelneemt aan een defilé, wedstrijd of optocht, gaan de muzikanten steeds onberispelijk gekleed. Vroeger was het uniform van een vereniging een kenmerkend onderdeel van het muzikale verenigingsleven. Elke fanfare of harmonie had een eigen en uniek uniform, dat de identiteit van hun vereniging weerspiegelt. Deze uniformtraditie is minder oud dan vaak wordt gedacht. Tot aan het begin van de 20ste eeuw droegen muzikanten namelijk meestal hun zondagse pak voor een optreden. Omdat het daardoor moeilijk was om een onderscheid te maken tussen de verschillende blaasorkesten, droegen de leden toen soms ook al een herkenningsteken om zich als groep kenbaar te maken. Hoewel er nog steeds verenigingen zijn die aan de uniformtraditie waarde hechten, hebben veel blaasorkesten vandaag geen uniek uniform meer. Zij leggen vooral een dresscode op voor concerten (volledig zwart, wit hemd/zwarte broek).

Orkestuniformen uit de laatste decennia van de 20ste eeuw zijn meestal geïnspireerd op het burgeruniform van militairen. De muzikanten dragen een kepie, al dan niet met een pluim. Er worden gewoonlijk ook gekleurde stroken stof in de broek of het vest verwerkt of er zijn gekleurde schouderstukken. De kleuren van de uniformen zijn soms dezelfde als die van de vereniging of de gemeente. Soms zijn er op het vest ook insignes aangebracht, die verwijzen naar het wapenschild van de vereniging. Vandaag de dag is het in ieder geval steeds vaker zo dat de uniformen aangepast worden aan de huidige mode en hun strenge voorkomen verliezen.

De standaard

De standaard of het vaandel is traditioneel hét visitekaartje van een muziekvereniging en wordt tijdens optochten steevast meegedragen. De standaard gaat terug op een oude militaire traditie: Romeinse militairen droegen eeuwen geleden ook al een vaandel wanneer ze ten strijde trokken. Sinds de middeleeuwen is een vaandel gewoonlijk ruitvormig of driehoekig. Op de vlag staan de patroonheilige of een aantal muziekinstrumenten afgebeeld, omringd door een krans van lauriertakken of eikenloof. Verder zijn ook de naam en de stichtingsdatum van de vereniging en de naam van de gemeente steeds op het vaandel geborduurd. Bij een aantal verenigingen komt ook het wapenschild van de adellijke weldoener op de vlag voor. Het doek is meestal uit rood of bruin fluweel en afgeboord met franjes. De vlag wordt met de punt opgehangen aan een stang. Bovenaan de standaard is vaak nog een leeuw, harp of lier in koper bevestigd. Vroeger was het ook de gewoonte om na overwinningen op muziekwedstrijden de medailles aan de standaard op te hangen.

Vrouwen

Tegenwoordig hebben vrouwen als spelend lid of bestuurslid een vaste plek binnen de muziekverenigingen veroverd. Lange tijd is dat echter anders geweest: tot na de Tweede Wereldoorlog was het helemaal niet evident om als vrouw toe te treden tot een muziekgezelschap. Zeker op het platteland vond men het niet gepast dat vrouwen blaasinstrumenten bespeelden of dat ze hun tijd doorbrachten in het gezelschap van mannen. Soms waren vrouwen zelfs niet welkom op het Sint-Ceciliafeest.

Vlamo

De meeste muziekverenigingen zijn tegenwoordig aangesloten bij Vlamo. Dat is de Vlaamse Amateurmuziekorganisatie die in 2002 werd opgericht als koepelorganisatie voor een aantal kleinere koepelverenigingen. Vlamo biedt ondersteuning aan meer dan 1.300 verenigingen en meer dan 68.000 individuele leden die zich actief bezig houden met amateurmuziek.

 

LITERATUUR

http://www.vlamo.be

Bleecker, M de, Hoor! De muzikanten! Van "Amicitia" tot "Willen is Kunnen": harmonie, fanfare, symfonie, brassband, big band ... in Oost-Vlaanderen 18e-20e eeuw, De Bleecker, Gent, 2007.

Janssens, J., Toeten en blazen. Er zit muziek in de Kempen!, Erfgoedcel Kempens Karakter, s.l., 2009.

Maeyer, L. De, 'Harmonies en fanfares in Vlaanderen', Oost-Vlaamse Zanten. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 77 (2002), 2, p. 124-137.