Speelplaatsspelletjes

Speelplaatsspelletjes

Hieronder vindt je een aantal voorbeelden van speelplaatsspelletjes. Het spreekt voor zich dat deze lijst niet volledig is. Van elk spelletje bestaan er bovendien vele verschillende variaties. Vroeger werden bepaalde spelletjes bijvoorbeeld op een andere manier gespeeld dan vandaag de dag en ook in verschillende scholen worden bepaalde spelletjes op een andere manier gespeeld.

1, 2, 3, piano

Reeds decennialang wordt het spelletje ‘1, 2, 3, piano’, of de vele verschillende variaties erop, op speelplaatsen gespeeld. ‘1, 2, 3, piano’ dient altijd in groep te worden gespeeld. Één kind, de zogenaamde ‘pianist’, staat aan een muur, de andere kinderen staan in een rij op een aantal meter van de muur. Wanneer de pianist naar de muur kijkt, ondertussen “1, 2, 3, piano” roept en tegelijkertijd op de muur klopt, is het de bedoeling dat de anderen zo snel mogelijk naar de muur toelopen. Nadat de pianist de woorden heeft uitgesproken, draait hij of zij zich om en vanaf dan mogen de anderen niet meer bewegen: ze moeten allemaal als een standbeeld blijven staan. De eerste die beweegt, vliegt er uit. De eerste die de muur of de pianist weet te tikken, is de winnaar.

Afneemspelletje

Een afneemspelletje wordt gespeeld met een stukje touw waarvan de uiteinden aan elkaar geknoopt zijn. Twee kinderen, in de meeste gevallen meisjes, staan tegenover elkaar. Het ene kind doet het touw rond de handen en houdt die vervolgens uit elkaar zodat het touw wordt aangespannen. Vervolgens worden er allerlei figuren gemaakt. Het andere kind moet het touw op een bepaalde manier van de handen van het ene kind afnemen zodat weer een andere figuur wordt gevormd. Er bestaan verschillende figuren die kunnen worden gemaakt. Het is met andere woorden een behoorlijk ingewikkeld spelletje.

Billenklets

Billenklets is een behoorlijk pijnlijke variatie op het spelletje ‘telefoontje’. Om billenklets te kunnen spelen, moeten de kinderen in een kring gaan zitten. Wanneer iemand zegt: “Ik telefoneer naar (naam)” houdt die persoon beide handen aan beide oren en is het de bedoeling dat degenen die aan weerszijden van de zogenaamde ‘beller’ zitten hun hand aan de kant van de beller aan hun oor houden. Wanneer de beller het zinnetje: “Ik telefoneer naar (naam)” zegt, moeten de drie met handen aan hun oren bij de laatste lettergreep van “telefoneer”, namelijk “neer”, hun handen neerleggen op hun billen. Wanneer iemand op een verkeerd moment de handen neerlegt of wanneer iemand de handen vergeet neer te leggen, wordt deze persoon gestraft met een harde klets op de billen. Wanneer de persoon onterecht wordt gestraft, mag die gestrafte persoon terug kletsen. Degene naar wie wordt gebeld, is de volgende beller.

Blad, steen, schaar

Blad, steen, schaar wordt dikwijls gespeeld om te bepalen wie als eerste mag beginnen met een spelletje, maar soms wordt het ook als een spelletje op zichzelf gespeeld. Er zijn minstens twee personen nodig om het spel te kunnen spelen. Iedereen houdt één hand in het midden van de groep. Wanneer er luidop “Blad, steen, schaar!” wordt gezegd, worden de vuisten gebald en nadat het laatste woord is uitgesproken, wordt ofwel een vlakke hand als blad ofwel een vuist als steen ofwel twee vingers als schaar getoond. Een steen wint van een schaar, een schaar wint van een blad en een blad wint van een steen.

Blikkenlopen

Blikkenlopen is een meer gemakkelijke variant op steltlopen. Om te kunnen blikkenlopen heb je twee blikken nodig per persoon. In de blikken worden gaatjes gemaakt waardoor een touw kan worden gestoken. Het touwt dient lang genoeg te zijn. Vervolgens kan het kind de voeten op de blikken plaatsen en de touwen in de handen nemen. Zo kan het kind rondlopen.

Chinees voetbal

Voor het spelen van Chinees voetbal dienen de kinderen te worden opgesteld in een kring. De benen dienen te worden gespreid zodat de voet van het ene kind de voet van het andere kind raakt. Alle kinderen richten zich met hun gezicht naar de binnenkant van de kring. Wanneer iedereen goed staat opgesteld, wordt de bal in de kring gegooid. Het is de bedoeling om met beide vuisten op de bal te slaan en om de bal door iemands benen, die een soort van goal vormen, te krijgen. Wanneer de bal door iemands benen wordt geslagen, moet die persoon met één hand verder spelen. Wanneer de bal voor de tweede keer door iemands benen wordt geslagen, moet die persoon zich omdraaien en mag die persoon terug met twee handen verder spelen. Wanneer de bal voor de derde keer door iemands benen wordt geslagen, moet die persoon, nog steeds omgedraaid, met één hand verder spelen. Wanneer de bal voor de vierde keer door iemands benen wordt geslagen, is deze persoon verloren en moet de persoon uit de kring vertrekken. In dit spel is het dus de bedoeling om je eigen goal zo goed als mogelijk te verdedigen en om iemand zo snel mogelijk uit het spel te krijgen.

Dikke Bertha

Vooraleer ‘dikke Bertha’ kan worden gespeeld, worden er eerst twee zogenaamde ‘pakkers’ uitgekozen. De rest van de groep staat aan één kant, de twee pakkers staan in het midden. Iedereen moet naar de overkant proberen lopen, maar de pakkers proberen dit te verhinderen. Wie door de pakkers gepakt wordt, moet zich bij de pakkers aansluiten. Het spel is ten einde wanneer iedereen een pakker is.

Dood of levend

Dood of levend is een balspelletje waarbij twee ploegen het tegen elkaar opnemen. De ene ploeg kan iemand van de andere ploeg proberen uitschakelen door te roepen: “Dood aan (naam)!” Wanneer de bal wordt gevangen door de andere ploeg gebeurt er niets, wanneer de bal de grond raakt, dient de zogezegd ‘dode’ persoon opzij te gaan. Deelnemers kunnen niet enkel buitenspel worden gezet, ze kunnen ook door de concurrerende ploeg worden afgesnoept. Enkel de concurrerende ploeg kan met het zinnetje: “Levend (naam)!” de ‘dode’ persoon terug levend maken om die persoon vervolgens voor hun eigen ploeg in te zetten. De ploeg die uiteindelijk geen leden meer telt, is uiteraard de verliezende ploeg.

Elastiekspringen

Reeds zeer lange tijd wordt er op speelplaatsen aan elastiekspringen gedaan. Om te kunnen elastiekspringen heb je een hele grote elastiek nodig. Twee personen worden aangeduid om tegenover elkaar te gaan staan en de elastiek rond hun benen te doen. Op die manier wordt de elastiek aangespannen en wordt een rechthoek gevormd. De andere kinderen springen bepaalde figuren in de elastiek terwijl er ondertussen een versje wordt opgezegd of een liedje wordt gezongen.

Haasje over

Soms zie je een hele rij kinderen die gebukt met hun handen hun benen vasthouden. Dan mag je er zeker van zijn dat die kinderen haasje over aan het spelen zijn. Één iemand springt over ieder kind dat gebukt staat. Het steunt daarvoor met de handen op de rug van de kinderen die een rij vormen en springt met de benen gespreid over de kinderen. Wanneer het kind aan het einde van de rij is, bukt het zich ook en kan het spel op die manier blijven doorgaan.

Handjeklap

Handjeklap is een spelletje waarbij kinderen elkaars handpalmen tegen elkaar slaan terwijl ze een versje opzeggen of een liedje zingen. Er bestaan vele verschillende handbewegingen en ook vele verschillende versjes en liedjes. Een voorbeeld van zo’n liedje is: “Er is een vrouw vermoord, met een gordijnenkoord, ik heb het zelf gezien, het was op kamer tien, het bloed liep van de trap, ’t leek wel tomatensap, ‘k nam er een likje van, ik werd er misselijk van, ‘k bel de politie op, ik zeg mijn naam hardop, mijn naam is, Anja Tanja Rikketikke Tanja Ollebolleknolle Elastiek”. Een ander voorbeeld is: “Een aapje wou eens vrolijk zijn en beet in de billen van de kapitein, de kapitein werd vreselijk boos en stopte het aapje in de poederdoos, de poederdoos was veel te wit, hij stopte het aapje in de kolenkit, de kolenkit was veel te vies en hij stopte het aapje in het theeservies, het theeservies was veel te mooi en hij stopte het aapje in de apenkooi. De apenkooi stond open, het aapje kon gaan lopen, het aapje kon weer zien en vijf plus vijf is tien”. Handjeklap is een spelletje dat doorgaans enkel door meisjes wordt gespeeld.

Ik ga op reis en neem mee

‘Ik ga op reis en neem mee’ is een geheugenspelletje waarbij iemand dit zinnetje aanvult met een voorwerp. De tweede persoon herhaalt het zinnetje, het voorwerp en vult aan met een eigen voorwerp. De derde persoon herhaalt alles wat de persoon voor zich heeft gezegd en vult aan met een eigen voorwerp enzovoort. Alles moet in de juiste volgorde worden herhaald. Wie als eerste een fout maakt, ligt eruit.

Kaatsballen

Vele kinderen waren, en zijn nog steeds, geïntrigeerd door jongleurs. Omdat jongleren echter niet zo gemakkelijk is, kozen de kinderen ervoor om kleine balletjes tegen een muur te laten kaatsen en terug op te vangen. Na verloop van tijd probeerden ze natuurlijk ook te jongleren, wat na enige oefening ook meestal lukte. Het waren vooral meisjes die op de speelplaats met kaatsballetjes speelden. Dit soort kaatsballen mag weliswaar niet worden verward met het soort kaatsballen dat door volwassen sporters wordt beoefend.

Kegelen

Kegelen werd vooral vroeger dikwijls gedaan op de speelplaats. Vandaag de dag is het ondertussen minder populair. Met een bal probeerden kinderen kegels omver te werpen. Hoe meer kegels er omvielen bij één worp, hoe meer punten er werden verdiend.

Prenten, stickers en andere dingen ruilen

Prenten ruilen op de speelplaats wordt al erg lang gedaan. In de jaren zestig van de twintigste eeuw werden vooral educatieve prenten geruild. In de jaren negentig van de twintigste eeuw werden vooral de gekende Panini-stickers geruild. Daarop stonden bijvoorbeeld voetballers, dieren, figuren uit tekenfilms, … Ook de Flippo-rage met daarop cartoonfiguurtjes heeft vele kinderen aangezet om te ruilen. Tegenwoordig kan er vanalles worden geruild. Bij vele etenswaren, en ook bij tal van andere producten, zitten kaarten, figuurtjes of andere dingen die kunnen worden geruild. Er wordt telkens ingespeeld op de rage van het moment.

Rolschaatsen

Hoewel het tegenwoordig op de meeste scholen niet (meer) toegelaten is, werd er vroeger dikwijls gerolschaatst. Rolschaatsen zijn schoenen waaronder wieltjes zijn bevestigd. Er kunnen schaatsbewegingen mee worden gemaakt. Sinds enkele jaren hebben skeelers en inline-skates de zogezegd ‘ouderwetse’ rolschaatsen verdrongen, maar het principe blijft hetzelfde.

Schipper mag ik overvaren?

Bij het spelletje ‘Schipper mag ik overvaren?’ staat iedereen aan één kant, behalve de zogenaamde ‘schipper’, want die staat in het midden. Iedereen zingt: “Schipper mag ik overvaren, ja of neen? Moet ik dan een cent betalen, ja of neen? Wat moet ik doen?” Op dat moment geeft de schipper een opdracht, iedereen moet bijvoorbeeld al koprollend of al springend op één been de overkant kunnen bereiken. Wanneer iemand de opdracht niet kan volbrengen, moet die persoon ofwel de schipper helpen ofwel ligt die persoon dan volledig uit het spel. Het doel is natuurlijk zo lang mogelijk heen en weer te geraken en telkens iedere opdracht goed uit te voeren.

Stoelendans

Wanneer kinderen de stoelendans willen doen, worden er stoelen in een kring geplaatst. Er wordt altijd één stoel minder dan het aantal deelnemers geplaatst. Wanneer er muziek speelt, loopt iedereen rond de stoelenkring. Van zodra de muziek stopt, is het de bedoeling dat iedereen zo snel mogelijk een zitplaats bemachtigt. Omdat er één stoel te weinig staat, kan één iemand niet zitten. Deze deelnemer ligt dan uit het spel en er wordt tevens één stoel weggenomen. Aan het einde van het spel schieten er twee deelnemers en slechts één stoel over. Degene die dan de zitplaats weet te bemachtigen is de winnaar.

Stoepkrijten

Met stoepkrijt in verschillende kleuren kunnen kinderen op de speelplaats de mooiste tekeningen maken. Soms gebruiken ze stoepkrijt echter enkel om er hinkelbanen mee te tekenen.

Telefoontje

Om telefoontje te kunnen spelen, moeten de kinderen in een kring gaan zitten. Iedereen neemt de hand vast van de persoon die naast hem of haar zit. In het midden van de kring zit de zogenaamde ‘telefooninspecteur’. Wanneer iemand zegt: “Ik telefoneer naar (naam)” is het de bedoeling dat er met de gesprekspartner connectie wordt gemaakt. Dit kan enkel door te knijpen in elkaars handen. De beller knijpt in de hand van één van de personen naast zich, deze persoon knijpt dan weer in de hand van de persoon naast zich, en zo wordt er verder geknepen tot er in de hand van de gesprekspartner wordt geknepen, die dan “Contact!” roept. De telefooninspecteur kan echter de verbinding verbreken. Dit kan wanneer hij of zij ziet wanneer er wordt geknepen. Als de verbinding verbroken wordt, mag de telefooninspecteur de plaats innemen van de persoon die hij heeft betrapt, die persoon mag dan weer de plaats van de telefooninspecteur innemen.

Tikkertje

Wanneer kinderen tikkertje spelen, wordt er een tikker aangeduid. De opdracht van de tikker bestaat eruit één van de anderen zo snel mogelijk te tikken. Dat is niet altijd even gemakkelijk, want de anderen lopen steeds zo snel mogelijk van de tikker weg. Wanneer de tikker er toch in slaagt om iemand te tikken, roept hij of zij: “Jij bent hem!” en dan moet de nieuwe tikker opnieuw iemand proberen tikken.

Touwtjespringen

Touwtjespringen kan alleen worden gedaan of kan in groep worden gedaan. Om touwtje te springen heb je enkel en alleen een touw nodig. Niet zomaar eender welk touw natuurlijk, maar een touw met handvaten, een springtouw dus. Je neemt de handvaten in de hand en je draait het touw rond. Wanneer het touw de grond raakt, moet je springen. Je kan ook allerlei trucs doen: achteruit draaien, met één been springen, twee keer springen voordat het touw rond is, de handvaten kruisen, … Als je het in groep doet, houden twee personen elk een handvat vast, of één handvat wordt bijvoorbeeld aan een paal vastgeknoopt. De andere personen springen terwijl er wordt gedraaid. Soms is het touw zodanig lang dat er velen tegelijk kunnen springen. Er is dan dikwijls één iemand die bepaalt welke beweging wordt uitgevoerd. Wat nóg moeilijker is, is het gebruiken van twee springtouwen tegelijkertijd. Er wordt dan met de touwen in tegenovergestelde richting gedraaid. Het vergt heel wat coördinatie om dan ‘in te springen’. Soms worden er tijdens het touwtjespringen versjes opgezegd of liedjes gezongen. Touwtjespringen wordt niet enkel door kinderen gedaan, maar ook sporters doen het vaak. Vooral omdat het uithoudingsvermogen enorm wordt getraind. Tegenwoordig wordt het ook rope skipping genoemd.

Tussen twee vuren

Tussen twee vuren is een balspelletje waarvoor er twee ploegen en twee kapiteins nodig zijn. Het veld waarop wordt gespeeld, wordt onderverdeeld in vier delen: een deel voor een kapitein, een deel voor de ene ploeg, een deel voor de andere ploeg, een deel voor een kapitein. Een bal wordt van de ene ploeg naar de andere gesmeten en het is telkens de bedoeling om iemand van de concurrerende ploeg met de bal te raken. Wanneer iemand wordt geraakt, moet hij of zij de ploeg verlaten. Wanneer de bal buiten het speelveld komt, mag enkel de kapitein de bal nemen en die naar zijn ploeg proberen gooien. Wanneer er nog maar twee ploegleden overblijven, mag de kapitein meespelen. Het is belangrijk te weten dat de kapitein maar liefst drie levens heeft.

Verstoppertje

Wanneer kinderen verstoppertje spelen, wordt één kind aangeduid als de zoeker. De zoeker moet zijn ogen sluiten en luidop tellen tot bijvoorbeeld honderd. Ondertussen hebben de andere kinderen de tijd om zich te verstoppen. Wanneer het kind klaar is met tellen, zegt het: “Wie niet weg is, is gezien!” Van zodra iedereen gevonden is, is het spel gedaan. Het kind dat als eerste wordt gevonden, is de verliezer. Het kind dat als laatste of zelfs helemaal niet wordt gevonden, is de winnaar.

Voetballen

Op de speelplaats wordt er dikwijls gevoetbald, maar niet alle regels worden nauwkeurig gevolgd omdat er meestal gewoon voor het plezier wordt gespeeld. In de meeste gevallen worden er twee ploegen gevormd waarbij de ene ploeg telkens de bal in de goal van de tegenstander moet proberen krijgen. Soms wordt er gewoon ook simpelweg geshot, zonder regels, zonder ploegen.

Witte zwanen, zwarte zwanen

Om het spelletje ‘witte zwanen, zwarte zwanen’ te kunnen spelen, moeten er twee kinderen tegenover elkaar staan. Ze vormen een poortje door hun armen omhoog te houden. Andere kinderen vormen een slinger en lopen achter elkaar aan door het poortje, een beetje zoals een polonaise. Ondertussen zingt iedereen het liedje: “Witte zwanen, zwarte zwanen, wie wil er mee naar Engeland varen? Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken. Is er dan geen smid in ’t land, die de sleutel maken kan? Laat doorgaan, laat doorgaan, en de laatste zullen we vangen.” Wanneer “vangen” wordt uitgesproken, wordt het poortje gesloten, de twee kinderen laten met andere woorden hun armen zakken. Op die manier vangen ze iemand. Degene die wordt gevangen, moet achteraan de slinger aansluiten.

Zakdoekje leggen

Bij het spelen van zakdoekje leggen zetten de kinderen zich in een kring. Één kind blijft echter buiten de kring met een zakdoek in de hand. Er wordt gezongen: “Zakdoekje leggen, niemand zeggen, ik heb heel de nacht gewerkt, twee paar schoenen heb ik afgewerkt, één van stof en één van leer, hier leg ik mijn zakdoekje neer.” Ondertussen loopt de zogenaamde ‘zakdoekenlegger’ rond de kring achter de andere kinderen. Wanneer het liedje gedaan is, stopt het rondlopen en legt de zakdoekenlegger de zakdoek achter de rug van het kind waar het op dat moment staat en het begint vervolgens heel snel te lopen. Het kind dat neerzit moet achter de zakdoekenlegger lopen en hem of haar proberen tikken. Wanneer de zakdoekenlegger zich op de plaats van het andere kind kan zetten na een rondje te hebben gelopen zonder getikt te worden, is hij of zij de winnaar en wordt de verliezer de nieuwe zakdoekenlegger. 

LITERATUUR

http://www.kinderwereld.net/school.htm

Indesteege, L., 'Knikkeren', in: Limburgs Volkskundig Genootschap, Lapjesproef voor drie zussen, Concentra Media nv, Hasselt, 2004, p. 108.