Strandvisserij

Strandvisserij

De visserij aan de Belgische kust is niet meer wat het geweest is. Met nog slechts enkele tientallen vissersschepen is de eens zo grote Belgische zeevissersvloot in een aantal decennia gedecimeerd. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat de visserij in de tweede helft van de 20ste eeuw aan grote technische veranderingen onderhevig is geweest. De kleinere vissersvaartuigen evolueerden naar grotere eenheden. Er kwamen steeds krachtiger motoren aan boord wat de mogelijkheid bood om op grootschalige wijze te gaan vissen. Uiteindelijk was er een strenge regelgeving noodzakelijk om de visbestanden, die zeer intensief bevist werden, te beschermen. Op zoek gaan naar traditionele gebruiken in de zeevisserij van vandaag is dan ook moeilijk. Toch zijn er aan onze kust en op het strand ook nu nog visserijtechnieken terug te vinden die nog dicht aanleunen bij de traditionele vissersambachten.

Paardenvissers

Enkel in Oostduinkerke zijn tot op de dag van vandaag paardenvissers actief. Zij zijn nog slechts met zijn tienen en wat ze doen, is uniek in de wereld. De paardenvissers trekken immers op grote Brabantse trekpaarden de Noordzee in om met netten garnalen te vangen. Zo bouwen zij vandaag nog steeds voort op een traditie die zeker al in de 16de eeuw bestond.

Enkel in Oostduinkerke

Technisch gezien is paardenvisserij enkel mogelijk op kusten met een zwak glooiend strand. Het strand van Oostduinkerke is daardoor uitermate geschikt voor de paardenvisserij. Dat wordt nog in de hand gewerkt door het feit dat er in Oostduinkerke geen pieren of strandhoofden zijn. De paardenvisserij was vroeger evenwel niet alleen in Oostduinkerke te vinden: ook op de stranden van Duitsland, Nederland, Frankrijk, Engeland en andere Belgische kustgemeenten werkten paardenvissers. Enkel in Oostduinkerke heeft het ambacht echter de ‘moderne tijden’ overleefd. Onder meer de komst van de eerste rijke toeristen in het begin van de 20ste eeuw heeft er sterk toe bijgedragen dat paardenvissers het paard op stal lieten. Toerisme bood immers tal van nieuwe arbeidsmogelijkheden die lichamelijk veel minder zwaar waren dan de paardenvisserij. Daardoor waren er tegen het begin van de 20ste eeuw ook in Oostduinkerke maar enkele paardenvissers meer aan de slag. Het scheelde niet veel of het gebruik zou ook daar helemaal verdwenen zijn. Dat het niet zo ver gekomen is, is vooral te danken aan het gemeentebestuur van Oostduinkerke: sinds de jaren 1950 heeft de gemeente namelijk hard haar best gedaan om de paardenvisserij in stand te helpen houden.

Een ezel of een paard?

Het paard is van oudsher een last- en werkdier dat in allerhande arbeidssectoren werd ingezet. Ook in de visserij werden er eeuwenlang paarden gebruikt. De garnaalvissers zijn pas na WOII de grote en oersterke Brabantse trekpaarden gaan gebruiken. Ruim een eeuw geleden werden er namelijk vooral Vlaamse en Noordfranse trekpaarden ingezet. Tijdens het interbellum werd dan weer meestal gewerkt met muilezels, omdat die na WOI goedkoop konden worden overgekocht van de geallieerde troepen. Omdat muilezels rustig van karakter en taai zijn, konden ze makkelijk bij het vissen op garnalen gebruikt worden. Toen men een nieuw soort netten ging gebruiken, werd het vangen van garnalen met muilezels onmogelijk en deden de Brabantse trekpaarden hun intrede.

Zijn het nu vissers, boeren of cafébazen?

Het garnaalvissen te paard werd nooit als hoofdberoep beoefend. Garnaalvissers waren kleine landbouwers die duinakkers bewerkten -ook wel ‘duneboertjes’ genaamd- en zelfstandige handelaars die voor het uitoefenen van hun beroep een paard nodig hadden (bier- of kolenhandelaars bijvoorbeeld) trokken met dit lastdier naar zee om garnalen te vangen om op deze wijze een cent bij te verdienen.
De paardenvissers die nu nog actief zijn in Oostduinkerke hebben een paar cafébazen in hun rangen. Wanneer zij niet bij hun paarden zijn, zijn ze te vinden achter de toog van café In De Zoeten Inval of van – whats’ in a name?- Estaminet de Peerdevisscher. Paardenvisserij is altijd een bijberoep geweest en is dit nog steeds. De combinatie van een café met de paardenvisserij werkt bovendien heel goed: zelfstandige cafébazen kunnen hun dagschema zo indelen dat ze tijd hebben voor hun passie.
Natuurlijk is niet iedereen in de wieg gelegd om paardenvisser te worden. Het hoeft niet te verwonderen dat een aantal Oostduinkerkse paardenvissers familie van elkaar zijn. De meesten hebben de microbe al van jongs af aan te pakken: zij leerden het ambacht kennen toen ze klein waren en groeiden er mee op. Ook vandaag gaat het nog zo: de jongste paardenvisser is slechts 20 jaar en leerde de stiel, zoals de traditie het wil, van zijn vader. De paardenvissers zijn gedreven mensen met een groot hart voor hun paard en de zee. Ze hebben vooreerst een unieke vertrouwensband met hun paard. Het is immers voor de paarden een uitdaging om zich in de onvoorspelbare zee te wagen en dier en visser dienen dan ook blindelings op elkaar te kunnen vertrouwen. Daarnaast moet de paardenvisser ook heel wat kennis over de zee in huis te hebben. De meest actieve garnaalvissers gaan enkele dagen per week de zee in.
Het tijdstip van het vissen is gekoppeld aan de uren van laag water. De beste periodes zijn het voor- en najaar. Dan zijn ze vaak aan het werk te zien. Tijdens de wintermaanden, wanneer het water te koud is zijn er vrijwel geen garnalen te vangen. Tijdens de hete zomermaanden is het water voor de garnaal te warm en ook dan zijn de vangsten niet lonend. Tijdens beide vakantiemaanden kan men de garnaalvissers wel aan het werk zien. Hun activiteiten kaderen dan voornamelijk in het verzorgen van demonstraties die gepland worden door de toeristische dienst van de gemeente.

Naar de zee

Een paardenvisser trekt met paard en kar naar de zee. Het beste tijdstip om op garnalen te vissen is één uur voor en een uur na laagwater. De visser, die te herkennen is aan zijn karakteristieke gele oliejekker, zit op de kar met daarin zijn visgerief. Het traject gaat van de stallingen door de duinen (en de verkavelingen) naar het strand. Bij de waterlijn wordt het paard uitgespannen en klaargemaakt om de zee in te trekken. Het paard wordt daarbij getuigd met een plankenkor. Dat is een trechtervormig net waar langs beide zijden van de netopening een scheerbord (visplank) is bevestigd. In de zee doet de trekkracht van het paard de visplanken naar beide zijden wegscheren zodat het net opengetrokken wordt. De visser zit op een houten zadel. Aan de flanken van het paard hangen grote manden. Het paard gaat tot aan de romp in het water en loopt evenwijdig met het strand in de zee. Paard en dier blijven slechts een half uur in het water. Daarna keert de paardenvisser terug naar het strand om zijn netten te legen. Het is zo dat er naast garnalen ook heel wat bijvangst in de netten te vinden is en daarom moet dus gezeefd en gesorteerd worden. De overtollige vangst wordt terug in de zee gegooid. Daarna trekt de visser met zijn paard opnieuw in zee.

Een paardenvisser als souvenir

Al sinds de opkomst van het toerisme spreken de paardenvissers tot de verbeelding. Paardenvissers zijn in het verleden vereeuwigd op tal van schilderijen, beeldhouwwerkjes, ansichtkaartjes en een arsenaal van prullaria. Ook vandaag zijn toeristen geboeid door de paardenvissers, die vooral tijdens de zomermaanden kunnen rekenen op veel bekijks. De paardenvissers blijven dan ook het toeristische uithangbord van de gemeente Oostduinkerke.

Kruiers

Kruiers worden ook wel eens kruwers genoemd. Net zoals de paardenvissers vissen de kruiers op garnalen, maar daarbij gebruiken zij geen paard als lastdier. Deze vissers wagen zich namelijk op eigen kracht tot aan hun middel in de zee en slepen zelf een net achter zich aan. Ook kruiers bouwen voort op de oude traditie van het strandvissen. Destijds waren het voornamelijk vrouwen die gingen kruien. Terwijl hun man de zee ‘beploegde’ gingen zij met een steeknet garnalen vangen om op deze wijze een centje bij te verdienen. Ook oudere vissers die niet meer vaarden trokken met een steeknet naar zee. De opbrengst het kruien lag nooit zo hoog als deze van de garnaalvisserij te paard omdat de netten veel kleiner waren. Iedereen met een beetje lef, een grote passie voor de zee, een kruierspak en een net kan een kruier worden. In tegenstelling tot de paardenvissers zijn kruiers overal langs de Vlaamse kust te vinden. Heel wat van de kruiers werken individueel, maar kruien kan evengoed in clubverband. Zo zijn er bijvoorbeeld kruiersclubs in de gemeenten Oostende, Wenduine en Westende. In Oostduinkerke zijn er zelfs telt twee clubs aan de slag: de Spanjaarsbank en de De Slepers. Deze clubs tellen zowel mannen als vrouwen onder hun leden. Het kruien wordt door hen opgevat als een sportieve liefhebberij. Jaarlijks organiseren ze een wedstrijd om te zien wie de grootste opbrengst kan binnenhalen. Verder geven ze ook demonstraties en initiaties.
Enkele kruiers hebben de gewoonte om de vangstgegevens bij te houden. Sommigen noteren zelfs niet enkel de garnalenvangst, maar schrijven ook de bijvangst op. Zo werd bijvoorbeeld het gevangen aantal tongen, krabben, pietermannen en kwallen netjes in schriftjes genoteerd. Vandaag blijken die gegevens alvast heel interessant voor wetenschappelijk onderzoek inzake de evolutie van visbestanden.

Verse garnalen

Traditioneel koken garnaalvissers hun versgevangen garnalen onmiddellijk na hun thuiskomst. Het fornuis wordt met hout gestookt en de garnalen worden in een ketel gekookt. Ze gebruiken daarbij altijd vers water waar ze wat zout aan toevoegen. Hierin zit een duidelijk verschil met de garnalen die met kustvissersvaartuigen worden gevangen: deze worden namelijk in zeewater gekookt. De paardenvissers hebben bovendien een speciale bereidingswijze en besteden bijzondere zorg aan het koken. Elke garnaalvisser heeft wel een eigen geheim recept en zweert dat zijn garnalen de beste zijn. Na het koken worden de garnalen op de koelzift gelegd om af te koelen. Verse garnaal is het lekkerst wanneer hij pas gekookt, en nog warm, geproefd kan worden. Versere garnalen dan deze door kruwers en paardenvissers gevangen zijn er niet: kort na de vangst liggen ze al klaar om opgegeten te worden. Van de garnaalrestjes kan er overheerlijke vissoep gemaakt worden.

Strandvissers

Ook het strandvissen wordt al eeuwen beoefend langs de Vlaamse kust. Strandvissen is de oudste vorm van visserij langs onze kusten. Tegenwoordig is de strandvisserij een vrijetijdsbesteding voor enkele honderden liefhebbers. Strandvissers hopen vooral tong en andere vis in hun netten te strikken, in tegenstelling tot de kruiers en de paardenvissers die garnalen vangen. Daarbij maken de strandvissers gebruik van vaste netten. Het net wordt op het strand opgezet bij laagtij, blijft dan gedurende het hoogtij staan en wordt bij het eerstvolgende laagtij geleegd. Een strandvissers heeft dus eigenlijk geen actieve rol in het vangen van de vis, vandaar dat ook wel van passieve visserij wordt gesproken. Strandvisserij wordt het meest intensief beoefend aan de westkust. Zo zijn er vooral tussen Nieuwpoort en De Panne heel wat strandvissers actief.

Andere vissersambachten

Heel wat van de traditionele technieken uit de visserij worden vandaag nog gekoesterd, maar niet echt meer actief beoefend. Slechts enkelingen hebben de vaardigheden nog onder de knie. Zo kan het plaatje van de garnaalvissers onmogelijk compleet zijn zonder de garnaalpelsters. Het pellen van de garnalen is een uiterst arbeidsintensief werkje, waar heel wat training en vingervlugheid mee gemoeid gaat. Het werk was vroeger voorbehouden aan vrouwen. Maar ook de netten moesten worden gebreid en hersteld. Dat heet boetten. Verder waren er bijvoorbeeld ook nog mandenmakers, die de manden vlochten die gebruikt werden om de visvangst in te transporteren.

LITERATUUR  

http://www.paardevissers.be/

http://www.vliz.be/

Vandenberghe, R., 'De garnalenvisser te paard: een uitstervende soort', Van Mensen en Dingen. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 3 (2005), 2, p. 184-185.