Wielrennen

Wielrennen

Met vallen en opstaan, een duwtje in de rug en een beetje extra steun van een stel tijdelijke zijwieltjes leren kinderen in Vlaanderen al op jonge leeftijd fietsen. En voor de meesten betekent dat automatisch ook ‘jong geleerd is oud gedaan’. Fietsen is een goedkoop en gemakkelijk transportmiddel. Daarnaast is het ook een gezonde hobby, een passie en voor enkelen zelfs een beroep. Fietsen zit dan ook ingebakken in ons dagelijkse leven. Maar wat hier in Vlaanderen een dagdagelijks gebruik is, is dat op andere plaatsen niet. Nietsvermoedende toeristen kijken dan ook wel eens verbaasd op wanneer ze de honderden gestalde fietsen zien aan het station van Brugge, Gent of een andere fietsgrage stad.

Geschiedenis van de fiets

De fiets is eigenlijk een vrij recente uitvinding: pas in de loop van de negentiende eeuw werd hij ontwikkeld en gaandeweg ook verfijnd tot het vervoermiddel dat wij vandaag de dag kennen. Zo bekeken kan de fiets beschouwd worden als een product van de industriële revolutie. En hoewel het mechanische systeem van een fiets ons nu misschien vrij eenvoudig lijkt, bleek de ontwikkeling ervan een waar huzarenstukje.

De voorloper van de fiets, die men de “draisine” zou gaan noemen, dook rond 1820 op in het straatbeeld. Het ging om een logge en vrij onstabiele houten loopfiets zonder pedalen, die wel gestuurd konden worden. Het fietstype dankt zijn naam aan de uitvinder ervan: Baron Karl van Drais. Echt veel succes hadden de draisines echter niet. Het zou daarna nog meer dan veertig jaar duren, tot in 1862, voor de eerste trapfiets werd ontwikkeld. 2 Franse wagenmakers, vader Pierre en zoon Ernest Michaud, bouwden samen een fiets met een ijzeren frame en ijzeren wielen. Op het voorwiel, dat op een karrenwiel leek, monteerden ze trappers, maar van een fietsketting was toen nog geen sprake. De Michauds waren ook de eersten die de fiets in productie brachten. Omdat hun fiets geen kettingaandrijving had, kon er enkel snelheid gehaald worden door het voorwiel met trappers veel groter te maken dan het achterwiel. Tegen de jaren 1870 waren er dan ook fietsen met enorme voorwielen en piepkleine achterwielen op de markt. Dit fietstype, waarbij de wielen voor het eerst ook spaken hadden, werd de ”Hoge Bi” genoemd, naar het Franse woord voor tweewieler: “bicyclette”. Hoewel het op- en afstappen, het balanceren op de fiets en het fietsen zelf geen sinecure waren, kende deze fiets toch een groot succes. Vanaf die periode ging men fietsen ook beschouwen als een sport: behendige fietsers konden op de hoge bi topsnelheden tot 40 kilometer per uur halen en namen het in wedstrijden tegen elkaar op.

Al snel ging men werk maken van de ontwikkeling van een veiliger fietstype, dat niet voor niets de “safety” werd genoemd. Bij dit type fiets waren het voor- en het achterwiel voor het eerst even groot. Om minder snel te moeten trappen werd ook gebruikgemaakt van een aandrijfsysteem met ketting, een mechanisme dat in de achttiende eeuw al gebruikt werd voor draaibanken. De uivinding van de met lucht gevulde rubberen fietsband in 1888 was de laatste grote stap in de ontwikkeling. Sindsdien is het prototype van de fiets maar weinig meer veranderd.

De fiets zelf bleef lange tijd erg duur, waardoor fietsen aanvankelijk voorbehouden was aan de rijke burgerij in de steden. Voor heel wat mensen moet het zien van de eerste fietsers bevreemdend geweest zijn. De mensen van het platteland zagen de rijke fietsers uit de steden zelfs liever niet komen en fietsen riep bij hen dan ook heel wat protest op.

Ontstaan van de wielersport

Hand in hand met de opkomst van de fiets ontstond ook de wielersport. De eerste wielerwedstrijden in Vlaanderen werden rond de jaren 1870 in Brussel, Gent en andere steden georganiseerd. Het moet gezegd dat deze competities nu veeleer aan dressuurwedstrijden voor paarden zouden doen denken dan aan de hedendaagse wielerkoers. Zo maten de deelnemers zich bijvoorbeeld niet alleen in snelheid aan elkaar, maar ook in traagheid en in behendigheid.

In de daaropvolgende jaren nam de populariteit van de fiets gestaag toe. De fiets werd een symbool van vrijheid, onafhankelijkheid, emancipatie en materiële vooruitgang en begon meer en meer voet aan de grond te krijgen. In deze periode openden de eerste fietswinkels de deuren, werden heel wat wielerclubs onder de doopvont gehouden en zagen ettelijke fietsfanfares het levenslicht. In 1883 werd ook de “Fédération Vélocipédique Belge” opgericht als een vereniging die verschillende stedelijke wielerverenigingen samenbracht. Het wielertoerisme begon dus volop op te komen en wielerclubs legden zich vol enthousiasme toe op het organiseren van wielerfeesten op het platteland. Tijdens deze wielerfeesten vielen de mooiste vaandels, wieleruniformen, de grootste club, de beste fietsfanfare en de beste acrobaten in de prijzen. Verder stonden nog allerhande gekke fietsactiviteiten op het programma, zoals de ‘valiezenkoers’ waarbij in iedere valies een vrouwenkledingstuk zat dat de deelnemende mannen - tot groot jolijt van de toeschouwers - moesten aantrekken. Vandaag de dag zijn fietsfanfares een zeldzaamheid geworden. Een van de allerlaatste die overblijft is Koninklijke Veloclub De Zwaluw uit Eernegem in West-Vlaanderen, die enkele jaren geleden haar 115-jarige jubileum vierde.

Aan het begin van de twintigste eeuw brak de fiets definitief door. Door het groeiende succes werd het aanbod aan fietsen groter, wat voor meer concurrentie tussen de handelaars en dus ook voor grote prijsdalingen zorgde. Hoewel de aankoop van een fiets nog altijd een grote investering was, werd de fiets als transportmiddel voor heel wat bevolkingslagen toegankelijk. Arbeiders trokken er mee naar hun werk en ook boeren op het platteland werden een stuk mobieler dankzij hun fiets.

Flandriens

Rond de eeuwwisseling werd het meer en meer de gewoonte dat de winnaar van een wielerwedstrijd een geldprijs kreeg. Sommige deelnemers wonnen zo vaak wedstrijden dat ze zelfs konden leven van dat prijzengeld. Nog voor de Eerste Wereldoorlog waren er dan ook al beroepsrenners actief in het wielercircuit. Omdat de werkweek langzamerhand ingekort werd, waren er ook steeds meer mensen in staat om wielerwedstrijden bij te wonen en hun favoriet ter plaatse te gaan aanmoedigen. Vanaf die jaren ontpopten wielrenners zich tot echte vedetten, die goed gesoigneerd werden door hun fans en hun entourage. De Belgische renners deden het bovendien niet alleen goed in Vlaamse wielerwedstrijden, maar boekten ook in het buitenland succes. Zo was Odile Defraye in 1912 bijvoorbeeld de eerste Belg die de Tour de France won. De zege leverde hem 32.000 frank op, een bedrag dat toen gelijkstond aan het loon van een 35 jaar durende loopbaan als arbeider.

Tijdens het interbellum was een indrukwekkende generatie Vlaamse wielrenners aan de slag, die gelauwerd werd om haar doorzettingsvermogen en kracht. Het waren geblokte, weinig elegante renners, die over hun stuur gebogen lagen en zo wind, modder en regen trotseerden. Zelfs in de meest ongure weersomstandigheden bleven ze op de slechte kasseiwegen alles geven tot ze over de eindmeet reden. Die wielerhelden van toen worden de “Flandriens” genoemd en er bestaan tal van sterke verhalen en pittige anekdotes over hen. Zo gingen ze bij voorbeeld zadelpijn te lijf met een biefstuk in de broek – een truukje dat tot voor kort nog steeds gebruikt werd - en dronken ze rauwe eieren voor de start. Of dat nu echt verhalen of mythes zijn, doet er eigenlijk weinig toe. Feit is dat de uitstraling van de Flandriens tot op de dag van vandaag heel wat mensen aanspreekt. Met het overlijden van Briek Schotte in 2004 ging de laatste held van deze generatie heen.

Kermiskoersen

In Vlaanderen wordt wielrennen traditioneel geassocieerd met kermiskoers. Dat komt doordat in het verleden aan heel wat dorpskermissen een kermiskoers verbonden was. De eerste kermiskoersen om en rond dorpskernen werden gereden in de late negentiende eeuw en kunnen eigenlijk niet vergeleken worden met de dorpskoersen van vandaag. De wielrenners van toen reden immers enkel over korte afstanden van maximaal 10 kilometer. Hun fietsen waren oncomfortabel en hadden soms nog geen luchtbanden en de wegen waren ongeplaveid en in een slechte staat.

Kermiskoersen groeiden vaak uit het lokale verenigingsleven en werden de voorbije decennia meestal georganiseerd door de lokale horeca. Een uitbater kon immers goede zaken doen als zijn café aan de start of de eindmeet van de koers lag. De wielrenners schreven zich daar in voor de koers en konden zich verkleden in een bijbehorend zaaltje. Voor de toeschouwers en fans was het café de plek bij uitstek om te verzamelen. Uiteraard werden in het café ook overwinningen en nederlagen met de nodige pintjes gevierd of doorgespoeld. Tegenwoordig is het aantal kermiskoersen sterk verminderd. Strenge reglementeringen, een hoge belastingdruk en het verdwijnen van volkscafés liggen mede aan de basis van deze teneur.

De wielerklassiekers

Dat België een diepgewortelde wielertraditie heeft, blijkt ook uit hoe intens wielerwedstrijden in onze contreien worden beleefd. In ons land worden voornamelijk eendagswedstrijden georganiseerd. De eerste edities van een aantal ervan werden al kort na 1900 georganiseerd. Tijdens het voorjaar worden vooral kasseiklassiekers (zoals bij voorbeeld de Ronde van Vlaanderen) en wedstrijden met behoorlijk wat klimwerk (zoals bij voorbeeld Luik - Bastenaken – Luik) gereden. Daarnaast zijn er ook een aantal najaarswedstrijden die jaarlijks terugkeren.

Het wielerseizoen gaat traditioneel van start met de Omloop Het Nieuwsblad. Tot in 2008 droeg deze wedstrijd de naam Omloop Het Volk, naar de organiserende krant Het Volk. Toen de krant opgedoekt werd, werd de wedstrijd omgedoopt tot Omloop Het Nieuwsblad.

Over een ding zijn heel wat wielerfanaten het in ieder geval eens: de Ronde van Vlaanderen geldt als “Vlaanderens Mooiste”. Deze wedstrijd brengt jaarlijks heel wat mensen op de been of kluistert hen urenlang aan hun tv-scherm of radio. De Ronde is bovendien niet uitsluitend voorbehouden aan beroepsrenners en wordt ook voor amateurs georganiseerd. Eén dag voor de eigenlijke Ronde kunnen ook zij dus tonen wat zij in hun mars hebben. De Ronde vertrekt in Brugge en eindigt in Meerbeke. Tussen start en finish moeten de deelnemers een aantal hellingen overleven, met klinkende namen zoals bijvoorbeeld de Kluisberg, de Oude Kwaremont of de Koppenberg. Hoeveel hellingen en welke precies kan verschillen van jaar tot jaar: voor de Ronde wordt namelijk jaarlijks een ander parcours uitgestippeld.

De velodroom

De rijke wielertraditie omvat veel meer dan enkel het wielrennen op de weg. Zo is er bijvoorbeeld ook het fietsen in de velodroom of het baanrennen. Tot voor 50 jaar waren er in Vlaanderen tal van wielerbanen in openlucht om te fietsen tijdens de zomer en overdekte banen voor tijdens de winter. Ooit was het zelfs zo dat 208 Belgische gemeenten één of meerdere wielerbanen hadden. Aanvankelijk was het baanrennen populairder dan het wielrennen op de weg. Gaandeweg werden de rollen omgedraaid en intussen hebben de meeste wielerbanen zelfs al de deuren gesloten. Dat betekende echter niet dat deze sportdiscipline daarmee verdween. De Zesdaagse van Gent in het Kuipke, dat in 1922 geopend werd, is bijvoorbeeld nog ieder jaar een enorm succes.

Veldrijden

Ook het veldrijden of de cyclocross is voor velen een echte passie. Veldrijders fietsen meestal tijdens de wintermaanden op drassige (niet-geasfalteerde) parcours. Kenmerkend voor veel veldrijders is dat ze korte eindjes lopen met hun fiets op de schouder als een stukje van het parcours er zo moeilijk bij ligt dat fietsen haast onmogelijk is. Het veldrijden is in Frankrijk ontstaan en heeft wortels in de militaire wereld. Vlaanderen staat intussen al enkele decennia bekend als het mekka van het veldrijden. Grote kampioenen als Sven Nys en Eric De Vlaeminck hebben daar sterk toe bijgedragen. Het veldrijden heeft in Vlaanderen dan ook een grote schare enthousiaste fans. Dat zij de wedstrijden op het parcours van heel dichtbij kunnen volgen, maakt de sport voor hen extra aantrekkelijk. De voorbije jaren heeft het veldrijden ook in andere landen aan populariteit gewonnen, waardoor tegenwoordig ook heel wat concurrentie uit Nederland en Tsjechië komt.

Wielerfanaten en wielercafés

Voor heel wat mensen zijn dagen waarop gekoerst worden, echte hoogdagen. Duizenden gezinnen - en dan vooral de vaders en grootvaders - brengen bijvoorbeeld traditioneel hun zondagmiddag voor de televisie door als wielerklassiekers zoals Paris-Roubaix, de Ronde van Vlaanderen of de Tour de France uitgezonden worden.

Elke generatie heeft zo zijn eigen wielerhelden. Vandaag is het Tom Boonen, gisteren was het Johan Musseeuw, maar de grootste wielerheld die Vlaanderen ooit gekend heeft, is ongetwijfeld Eddy Merckx. Wielerfans dragen hun grote held op handen en trekken naar wedstrijden in het binnen- en soms ook buitenland om hem aan te moedigen tijdens de wedstrijd. Ze leven mee bij verlies en vieren uitgebreid bij winst. Wielerfanaten maken onlosmakelijk deel uit van de wielersport. Heel wat fans raken op jonge leeftijd al gebeten door het wielrennen gebeten, want meestal zijn oudere familieleden met hetzelfde sportieve virus besmet. Soms groeperen wielerfanaten zich in een fanclub, die dan meestal gebonden is aan een bepaald café. Deze wielercafés zijn voor de supporters een trekpleister voor, na en tijdens de wedstrijden. In veel van deze cafés kunnen wedstrijden op groot scherm of tv gevolgd worden. Opvallend is dat heel wat van de (vroegere) café-uitbaters zelf ooit een verdienstelijk renner zijn geweest. Sommige wielercafés worden uitgebaat door de ouders van een renner en dan komt de wielerheld er natuurlijk zelf ook geregeld over de vloer. Het interieur van een wielercafé verwijst met wielertruitjes, foto’s, bekers en andere memorabilia naar de overwinningen van de wielrenner.

Wielertoerisme

Wielertoerisme is één van de meest succesvolle sporten in Vlaanderen. Er bestaan honderden wielerclubs verspreid over gans Vlaanderen, die samen tienduizenden leden tellen. Bovendien zit wielertoerisme als sport nog steeds in de lift zit, doordat tegenwoordig ook vrouwen makkelijk hun weg naar de fietsclub vinden.

Al lange tijd kunnen wielerclubs in Vlaanderen terecht bij een aantal federaties: de Vlaamse Wielrijdersbond, de Wielerbond Vlaanderen en de Vlaamse Bond voor Rijwieltoerisme. Deze organisaties ondersteunen de wielerclubs met allerhande administratieve zaken en helpen hen bij het organiseren van wedstrijden en uitstappen. Verder is hun werking ook gericht op de opleiding van jonge wielrenners. 

LITERATUUR

www.vlaamsewielrijdersbond.be

/www.wielerbondvlaanderen.be

www.vlaamsebondrijwieltoerisme.be

Lampo, D., Meetjesland koerst, COMEET/Erfgoedcel Meetjesland, Eeklo, 2009. (Erfgoed leeft 06)

Renson, R., 'Bestaat er zo iets als een Vlaamse wieler(sub)cultuur?, Van Mensen en Dingen. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 3 (2005), 1, p. 22-32. 

Rottiers, W., 'Wielerstaminees, Van Mensen en Dingen. Tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen 3 (2005), 1, p. 59-64.